Rasstandaard

Land van herkomst: Groot-Brittannië

Datum van publicatie van de officiële, geldende standaard: 13 oktober 2010

Gebruiksdoel: Retriever

FCI-classificatie: Groep 8, sectie 1 Retrievers – met werkproef

Korte historische samenvatting: er wordt algemeen gedacht dat de Labrador Retriever zijn oorsprong kent aan de kust van Newfoundland, Canada. De vissers daar gebruikten een hond lijkend op een Labrador om de visnetten binnen te halen. Een hond die uitblonk in het water; zijn waterafstotende vacht en unieke otterstaart benadrukken dit.
Vergeleken met andere rassen is de Labrador geen erg oud ras. De eerste Labradors werden in Groot-Brittannië geïntroduceerd door Col. Peter Hawker en de Graaf van Malmesbury. De eerste rasvereniging ontstond in 1916, de Yellow Labrador Club volgde in 1925. Het ras won snel aan populariteit door de field trials.

Algeheel voorkomen

Sterk gebouwd, compact, zeer actief (excessief lichaamsgewicht of substantie staan dit in de weg en moeten worden voorkomen). Breed in schedel, breed en diep in borst en ribben. Breed en sterk in de lendenen en achterhand.

Gedrag en temperament

Goed temperament, zeer behendig. Uitstekende neus, zachte bek. Uitgesproken liefhebber van water. Een toegewijde metgezel. Intelligent, oplettend en gezeglijk, met een sterke will to please (wil om te behagen). Welwillende natuur, zonder spoor van agressie of overdreven verlegenheid.

Hoofd

Schedel: breed, droogbelijnd zonder vlezige wangen.

Stop: zichtbare stop.

Voorsnuit

Neus: goed ontwikkelde neus en neusgaten.

Voorsnuit: krachtig, niet spits toelopend.

Kaken/Tanden: kaken zijn van gemiddelde lengte. Kaken en tanden sterk met perfect, regelmatig en compleet schaargebit, dat wil zeggen boventanden sluiten net over ondertanden en staan recht in de kaak.

Ogen: van gemiddelde grootte, drukken intelligentie en een goed temperament uit. Bruin of hazelnoot van kleur.

Oren: niet te groot of zwaar, hangen dicht tegen het hoofd en redelijk ver naar achter aangezet.

Hals

Droog, sterk, krachtig, loopt over in goedgeplaatste schouders.

Lichaam

Bovenbelijning: recht.

Lendenen: breed, compact en sterk.

Borst: van goede breedte en diepte, met goed aangezette tonvormige ribben – dit effect mag niet voortkomen uit een teveel aan gewicht.

Staart

Kenmerkend voor het ras; zeer dik aan de basis en geleidelijk toelopend naar de punt. Van gemiddelde lengte. Zonder bevedering maar rondom dichtbehaard met korte, dichte, volle vacht. Dit zorgt voor het ‘ronde’ beeld en de benaming ‘otterstaart’. Staart mag vrolijk gedragen worden, maar nooit over de rug krullen.

Ledematen

Voorhand:

Algemeen beeld: voorbenen recht van elleboog naar grond zowel van voren als van opzij gezien.

Schouder: lang en schuin.

Onderarm: onderbenen recht en stevig.

Voorvoeten: rond, compact, goed gebogen tenen en goed ontwikkelde zooltjes.

– Achterhand:

Algemeen beeld: goed ontwikkelde achterhand, niet aflopend richting staart.

Knie: goed gehoekt

Onderbenen: laag spronggewricht/hak. Koehakkigheid zeer ongewenst.

Achtervoeten: rond, compact, goed gebogen tenen en goed ontwikkelde zooltjes.

Beweging

Vrij, genoeg grond beslaand. Recht en zuiver voor en achter.

Vacht

Kenmerkend voor het ras; kort, dicht, zonder bevedering of golven. Vacht voelt vrij hard aan. Weerbestendige ondervacht.

Kleur: geheel zwart, geel of chocolate/lever. Geel kan variëren van licht crème-wit tot vosrood. Kleine witte borstvlek toegestaan.

Maat

Ideale schofthoogte:

– Reuen: 56-57 cm
– Teven: 54-56 cm

Fouten

Iedere afwijking van de hierboven genoemde punten moet gezien worden als een fout. Hoe zwaar de fout wordt aangerekend is afhankelijk van in hoeverre de gezondheid en het welbehagen van de hond, alsmede zijn vermogen zijn oorspronkelijke taak uit te oefenen, worden beïnvloed.

Diskwalificerende fouten

– Agressief of overdreven verlegen

– Iedere hond die duidelijke fysieke of gedragsmatige afwijkingen laat zien moet worden gediskwalificeerd

NB:

Reuen moeten twee normaal uitziende testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Alleen functioneel en klinisch gezonde honden met een rastypisch uiterlijk zouden moeten worden gebruikt voor de fokkerij.